Casper Reinders: koning concept

Koken is niet aan hem besteed en alcohol drinkt hij niet. Toch is Casper Reinders (mede-)eigenaar van 14 Amsterdamse horecazaken, waaronder Bumbu Kitchen en Jimmy Woo. Reinders zet met de interieurs zijn stempel op de spraakmakende, funky concepten. In ‘zijn’ Libertine Comptoir de Cuisine vertelt Casper wat de bedrijven zo uniek maakt.


Waarom heb je voor de horeca gekozen?
“Eigenlijk heb ik ervoor gekozen om ondernemer te worden, dat ben je of dat ben je niet. Ik was klaar met mijn hbo-studie marketing & pr, wist niet wat ik moest gaan doen en ik dacht: ik begin mijn eigen horecazaak.”


En inmiddels richt jij je vooral op het interieur van de bedrijven en niet op de zaakvoering.
“Dat zit er eigenlijk van jongs af aan al in. Ik ging met mijn moeder vaak mee naar antiekwinkels in New York en Nederland en ben op mijn veertiende begonnen met verzamelen. In eerste instantie Papoea-objecten en later ook Aboriginal, Chinees, Japans, opium en erotiek. Inmiddels verzamel ik echt alles wat ik mooi vind, mijn huis is net een museum. Dat soort oude elementen zie je ook in mijn horeca-interieurs. Door het verzamelen heb ik een heel brede kennis op dat gebied, je krijgt er gevoel voor. Dan kun je ook als je iets nog niet eerder hebt gezien de waarde ervan inschatten, want uiteindelijk is het natuurlijk wat de gek ervoor geeft. Voor mijn horecazaken huurde ik eerder ontwerpers in. Al snel kwam ik erachter dat ik een groot gedeelte eigenlijk zelf deed terwijl de ontwerper zijn naam eraan hing. En ik ontdekte dat ik ‘bouwen’ het allerleukste vind wat er is. Vanaf dat moment ben ik zelf gaan inrichten, soms samen met Thijs Murré. Ik wil geen zaken meer draaien, de tijd dat ik dat leuk vond heb ik gehad. Ik heb daardoor heel veel vrijheid.”

 


Is dat de reden dat je vaak met compagnons werkt?
“Deels. Ik reis veel en woon de helft van het jaar op Ibiza. Op afstand is het moeilijk om alles in de gaten te houden. Maar ook als ik in Amsterdam ben is dat lastig met 14 zaken. Er moet iemand op de vloer staan die voelt of iets goed gaat of niet, die dezelfde pijn ervaart. Daarnaast vind ik het ook gewoon
leuk om met andere mensen samen te werken. Mijn vriend en compagnon Steven Pooters is bijvoorbeeld betrokken bij Libertine Café Café, Libertine Petit Café en Libertine Comptoir de Cuisine. Angelos Charisteas, ook een compagnon, runt deze laatste zaak. Als de verbouwing en het inrichten erop zit geef ik de sleutel en ben ik weg. De boekhouding, pr en marketing loopt wel via mijn kantoor. Ik begrijp het ook niet als horeca-ondernemers alles zelf willen doen. Ze willen over het interieur beslissen, personeelszaken regelen en de menu- én de wijnkaart samenstellen. Het lijkt mij heel onwaarschijnlijk dat je alles heel goed kunt. Dat kan ik ook niet. Er zijn een paar dingen waar ik goed in ben en die kan ik beter dan veel anderen. Misschien hoor je dat niet over jezelf te zeggen, maar ik weet dat ik met een veel kleiner budget veel funkyer kan bouwen dan de rest.”


Een funky interieur, hoe bouw je dat?
“Dat doe ik helemaal op gevoel. Ik werk niet met moodboards of computertekeningen. Vaak weet ik binnen 5 minuten wat ik wil, dat zit in mijn hoofd en daar ben ik niet onzeker over. Ik heb van nature aanleg om de juiste
dingen bij elkaar te brengen en ben niet bang om keuzes te maken, ook als het onlogisch lijkt. Zo was en is de eclectische stijl van Lion Noir heel trendsettend met al die gekke spullen door elkaar. De donkerbruine kleur
hier op de muren van Libertine Comptoir de Cuisine is ook nogal ongebruikelijk. We gebruiken ook bijna alleen maar oude materialen,
terwijl de meeste mensen voor nieuw kiezen. Deze tafels zijn bijvoorbeeld gemaakt van op maat gezaagd oud marmer en er zitten oude poten onder. De barkrukken die vroeger in Yab Yum stonden, oude schilderijen die we achterstevoren aan de muur hangen, een antieke kast uit een klooster, een handgeschilderde poster uit 1910, alles is echt. Dat verschil zie je gewoon en dat maakt mijn zaken funky, er zit een hart in. Daarmee zeg ik niet dat ik de beste zaak heb, maar we doen wel dingen die je in andere zaken niet ziet.”


Heb je een voorkeur voor bepaalde kleuren en materialen?
“Nee, alle zaken hebben ook een totaal andere uitstraling. De kleuren gaan van zwart bij Libertine Café Café en groen bij Lion Noir tot paars bij Bumbu Kitchen. Oud, gebruikt en patina komen wel altijd terug en dat kun je herkennen. Ooit heeft iemand mij geleerd dat het saai en waarschijnlijk ook nep is als alles klopt. Als bij de opiumpijpen die ik vroeger verzamelde alle stof op de juiste plek zat dan wist ik dat dit hoogstwaarschijnlijk met een kwast was opgebracht. De manier van slijten noemen ze patina. Als ergens een bepaald patina overheen zit vind ik dat bijdragen aan de magie van een mooi interieur.”

 


Hoe kom je aan al die oude spullen?
“Ik ga ernaar op zoek en ken de handelaren. Omdat we zoveel oude materialen gebruiken recyclen we heel veel. Dat is geen uitgangspunt,
maar het is wel een prettige bijkomstigheid dat we dingen hergebruiken die anders misschien worden weggegooid. Zo’n zoektocht kan overigens jaren duren. Soms laat ik dingen ombouwen, zoals een oude kast waar
de deuren zijn uitgezaagd en waar nu diagonaal lopend draadglas in zit. Anderen komen daar niet op. Pas als ze het zien denken ze: oh, dat is leuk!”


Houd je hierbij rekening met trends?
“Ik heb een hekel aan trends. Als er een kip- of hamburgerrestaurant wordt geopend en het blijkt populair dan zie je al snel veel soortelijke tenten. Ik doe waar ik zelf zin in heb en bouw wat ik mooi vind. Ik zie mezelf ook eerder als voorloper en ik ben helemaal niet bezig met wat er op horecagebied om mij heen gebeurt. Ik bezoek zelden nieuwe zaken. Heel veel horeca-interieurs zijn geïnspireerd op andere horecaconcepten en ik vind het jammer als het er zo dik bovenop ligt. Je wordt allemaal ergens door geïnspireerd, maar dat betekent niet dat je het moet gaan kopiëren. Als een van onze zaken gekopieerd is, zie ik dat gelijk, inclusief de fouten die daarbij zijn gemaakt. Waar net dat stukje mist wat het juist rock-‘n-roll maakt.”


Is het niet moeilijk om steeds weer iets nieuws te bedenken?
“Nee, dat vind ik het leukste wat er is. Ik heb nu weer plannen om een bar te bouwen. De krukken heb ik al, alleen heb ik er nog geen pand voor. Rondom die krukken bouw ik de zaak dan op. Daarbij wil ik voor de bar en de tafels formica gebruiken, een materiaal uit de jaren 60.”


Kan ik dat omschrijven als een hip interieur?
“Is het niet, het zijn juist allemaal klassieke materialen en spullen. Het gaat erom hoe je de verschillende elementen bij elkaar brengt. Dat maakt het origineel, niet hip. Soms vragen mensen mij om advies en als ik dan wil weten
wat ze willen, krijg ik vaak als antwoord: ‘een hip interieur.’ Maar een hip interieur kun je niet bouwen, een zaak kan wel hip zijn: als klanten er graag komen. Dat woord wordt zo vaak verkeerd gebruikt. Je moet ook van je
eigen kracht uitgaan. NOA, het eerste restaurant dat ik in 2000 in Amsterdam opende, was al volledig gebaseerd op mijn eigen gevoel. Ver voordat anderen dat in Nederland deden, opende ik deze lounge- en noodlebar. Iedereen verklaarde mij voor gek, maar binnen een paar maanden stond de internationale televisie op de stoep. Bij Jimmy Woo ging dat ongeveer etzelfde dankzij het plafond met 12.000 lampen en het Funktion-One-soundsystem wat ik aan had laten leggen. De hele techniekwereld schreef erover.”


Wat is er zo bijzonder aan het licht en geluid bij Jimmy Woo?
“Wereldwijd waren wij de eersten met zo’n groot matrixplafond. Het was gewoon iets wat ik graag wilde. Ook hierbij ging ik van mijn gevoel uit. Door mijn totaalgebrek aan clubervaring heb ik destijds een club gebouwd zoals ik dacht hoe een club hoorde te zijn. De sluitpost van clubs zijn vaak het licht en
het geluid, terwijl dat in mijn beleving juist de motor hoort te zijn. Omdat ik er zelf niet genoeg verstand van had, heb ik mensen laten komen die dat wel hadden. Net zoals ik geen verfijnde smaak heb, weet ik niet hoe geluid hoort te klinken. Zij gaven aan wie op het gebied van geluid het allerbeste kon
leveren, om erbij te vermelden dat het onbetaalbaar zou zijn. Ik heb die man opgebeld, gezegd dat ik het geld niet had en voorgesteld om de installatie tegen kostprijs te plaatsen en Jimmy Woo als showroom te gebruiken. Ik laat mij niet belemmeren door praktische zaken en eigenlijk ook niet door geld, terwijl ik in verhouding heel weinig uitgeef.”

 


Geen verfijnde smaak als eigenaar van zoveel restaurants?
“Nee, ik proef wel of eten goed is, maar heb geen verfijnde smaak en kan zelf niet koken. Ik bemoei mij ook niet met de keuken, daarvoor werk ik samen met heel goede partners en chefs. Het is belangrijk dat de klanten lekker
eten en een goede service krijgen. Het moet net zo’n speciale ervaring zijn als het interieur. Het is heel irritant als ik een mooi restaurant heb gebouwd en de chef kan het niveau niet aan. Daar word je dan dubbel zo hard op afgerekend. Bij een mooi interieur ligt de lat hoog, andersom is dat minder. In het verleden is dat wel eens misgegaan.”


En wie beslist er over zaken als serviesgoed, glaswerk en bestek?
Dat valt onder de keuken maar is wel bepalend voor het interieur. “Dat verschilt. In sommige gevallen ben ik er intensief bij betrokken. Voor een van onze zaken lieten we heel mooie borden en glaswerk met ons logo erop maken. Dat komt dan bij mij vandaan. Maar het gebeurt ook dat een
chef hier een heel duidelijk idee over heeft. Dat stelt hij dan voor en dan zeg ik ja of nee. Dan heb ik alleen een adviserende rol.”


Houd je bij het ontwerpen van het interieur wel rekening met de keuken
die jullie voor ogen hebben?
“Eigenlijk niet. Ik houd namelijk niet van themarestaurants. Bij een restaurant met een Chinese keuken bouw ik geen Chinees georiënteerd interieur. Dat zou ik nog eerder bij een Marokkaanse keuken doen. Bij Bumbu Kitchen, wat is gebaseerd op de Indische keuken, kom je geen Indische elementen tegen. Bij mij tref je eerder iets aan wat niets met de keuken te maken heeft, net als hier bij Libertine Comptoir de Cuisine. Het is een heel diepe, onlogische zaak waar ik op de achterwand iets geks op wilde hangen. Het werd de term Drug Store in neonletters. Het betekent gewoon drogisterij, maar iedereen leest het
anders en het trekt de aandacht. Instagram staat er vol mee. Iedereen gaat ervoor staan of zitten om een foto te maken en dat is eigenlijk exact wat je wilt.”


Waar haal jij je inspiratie vandaan?
“Ik reis, ik kijk National Geographic of een film. Weet ik veel, ik leef. Doordat ik mijn ogen openhoud krijg ik onbewust impulsen binnen die misschien 3 jaar later van pas komen. Kijk, deze matten op de banken heb ik laten maken. Ik zal ongetwijfeld ergens iets soortgelijks hebben gezien, maar ik weet vaak niet meer waar of in welke gedaante. Ik heb het zeker niet uitgevonden en zal dat ook echt niet claimen. Roodkoper bestaat al duizenden jaren. Je zag het vrijwel nergens meer maar acht jaar geleden ben ik het weer gaan gebruiken. Tegenwoordig hebben al die trendy barretjes het. Dat soort dingen worden vaak van ons overgenomen, maar eigenlijk vind ik dat wel een compliment.”


Stoer, stijlvol & scherp Sligro heeft onlangs, in samenwerking met Casper, de unieke serie Pro Chef by Casper Reinders gelanceerd. De serie bestaat uit een snijplank en een zestal messen: een koksmes, vleesmes, broodmes, santokumes, steakmes en een schilmes. De messen, waarvan het lemmet vloeiend overloopt in het heft, zijn vervaardigd van chroom-molybdeenvanadiumstaal en hebben een hardheid van 52 HRC (Hardness Rockwell C-schaal). Dankzij deze hardheid blijven de messen lang scherp en kun je ze goed slijpen. “Ik houd van traditioneel met een twist”, aldus Casper. “De tekening op het heft en op de snijplank staat voor een ribbenkast. Dat maakt de messen in combinatie met de vorm heel stoer en stijlvol.”

 

‘Het is een prettige bijkomstigheid dat we materialen gebruiken die anders worden weggegooid’


‘Vaak weet ik binnen 5 minuten wat ik wil, ik heb aanleg om de juiste dingen bij elkaar te brengen’